De Alfa Romeo 33 Stradale is historisch gezien de ideale basis voor meer

Komt de geschiedenis weer tot leven?
Soms merk je dat er meer achter een project zit. Zo ook bij de ontwikkeling van de exclusieve en recente Alfa Romeo 33 Stradale door het team van BottegaFuoriserie. Je spreekt mensen achter dit project en we lezen er een boek over… Vervolgens bladeren we ook even door de geschiedenis en komen tot een voorzichtige conclusie. Zo ook in deze La Grande Storia, waarbij de verhalen achter de 33 Stradale uit 1967 de directe inspiratie vormen voor een mijmering over de nabije toekomst. Ons is namelijk verteld dat het verhaal van de nieuwe huidige 33 nog niet is afgelopen en dat er zelfs ideeën zijn voor het daadwerkelijk weer racen met iets wat er op lijkt. Precies waar de eerste T-33 ooit voor is bedacht onder supervisie van Alfa Romeo-mannen als Luraghi en Chiti. Het vormde de basis voor succesverhalen van Autodelta. Inmiddels prijkt al een eerste logo van dit legendarische fabrieksteam op de onlangs getoonde Alfa Romeo 33 Stradale Perla Nera®. Het lijkt een hint naar een vervolg op de onderstaande geschiedenis. Die geschiedenis is trouwens ook de reden dat ruim 10 jaar geleden de 4C het levenslicht zag. We zoomen in op het voorjaar van 1967 toen Carlo Chiti en zijn mannen van Autodelta het project Tipo 105.33 voltooiden.




Die historische dag in Flèron.
Het startpunt vormde letterlijk een overwinning door Alfa Romeo’s testrijder Teodoro Zeccoli (1929-2018). Die overwinning tijdens een heuvelklim in het Belgische Fléron nabij Luik op 12 maart 1967 (slechts een week na de presentatie), is een historische mijlpaal in Alfa Romeo’s racegeschiedenis, omdat daarna een reeks aan belangrijke ontwikkelingen plaatsvond. Zo ook de realisatie van de 33 Stradale. De opeenvolgende gebeurtenissen vonden niet alleen plaats omdat men wilde racen, maar ook omdat Alfa Romeo werkte aan het opnieuw opbouwen van dat prestigieuze merkimago van voor de oorlog. Dus wilde men een auto van hoog niveau, die het kon opnemen tegen Ferrari’s en Porsche’s. De winnende auto van Zeccoli met startnummer 215 droeg het chassisnummer T33/2.001, later meer bekend onder de naamgeving Tipo 33 “Periscopica”. Van dit type zijn er destijds voor de heuvelklims en endurance races 5 of 6 gemaakt. Helaas zijn er nog maar 3 van de oorspronkelijke versies over (waaronder de T33/2.2.001), die je echter meer als achteraf drastisch gerestaureerde reconstructies kunt betittelen vanwege de historische waarde. Het beheer is in de veilige handen van Scuderia del Portello. Het is al jaren een van de grotere publiekstrekkers tijdens bijvoorbeeld Goodwood Festival of Speed. De 33 ‘Periscopica’ wordt gekenmerkt door de hoge luchtinlaat die de achtcilinder van verse lucht voorziet. Vandaar de bijnaam. De Tipo 33 heeft een buizenframe in een asymmetrisch H-patroon en een kooi van magnesiumlegering voor de voorwielophanging, radiatoren, stuurinrichting en pedalen. De carrosserie is van glasvezel en het totale gewicht van de auto is maar 600 kg. Achterin ligt een in de lengterichting geplaatste 2.0-liter atmosferische V8-motor die 273 pk produceert bij 9.600 t/min. De transmissie is een handgeschakelde 6-bak.

Prestaties in dienst van het merk met een ‘Stradale’ als ultieme vaandeldrager.
Een ‘Halo car’ zouden we vandaag de dag zeggen. Dat is wat de 33 Stradale, die kort na de eerste racesuccessen van de ‘Periscopica’ werd ontworpen in optima forma was. Een exotische straatversie van een model dat in de autosport daadwerkelijk meedoet op het hoogste niveau. Farbrikanten bouwen ze tegenwoordig ook vaak zonder dat er ooit mee op een circuit wordt gereden. Begrijpelijk maar ook spijtig. We weten inmiddels dat Alfa Romeo bij een volgende exclusieve creatie juist wél weer de start en finish wil opzoeken voor zover dat mogelijk is. Al met al de reden waarom we dit artikel schrijven. Was het toen andersom? Ging het meer om het racen dan om bijvoorbeeld exclusiviteit en oogverblindend design? Alles behalve! De charismatische algemeen directeur van Alfa Romeo in die tijd Giuseppe Luraghi, wilde dat een van de beste designers in die tijd, de nobele Franco Scaglione (die Ferrari’s tekende), zich tevens zou ontfermen over het ontwerp van een straatversie van de Tipo 33. Een belangrijk doel was dat de auto optisch direct tot de verbeelding zou spreken. Scaglione gold in dat opzicht als een compromisloos en toonaangevend supertalent, dus de ideale man voor de klus. Autodelta ingenieur Carlo Chiti wees namens Luraghi Scaglione aan en Luraghi op zijn beurt liet z’n oog vallen op het ontwerp, dat we vandaag de dag nog altijd adembenemend vinden.

Compromisloos technisch en esthetisch design.
Men was voornemens om 50 Stradale’s te maken op het chassis waar ook de ‘Periscopica’ op was gebouwd. Het chassis van de 33 ‘Periscopica’ was gebaseerd op magnesiumbuizen met een grote diameter, die met elkaar verbonden waren door een dwarsbalk van dezelfde diameter aan de achterkant van de cockpit. Hierdoor ontstond een onregelmatige H-vormige frame rond de carrosserie van de auto. Een andere bijzonderheid, was de brandstoftank die zich in die enorme buizen bevond, waardoor het ‘rolcentrum’ en de perfecte balans van het chassis altijd behouden bleven, ongeacht het resterende brandstofgewicht. De stuurinrichting, de dubbele wishbone-ophanging en de motor waren gemonteerd op subframes van magnesiumlegering. Het chassis werd geproduceerd door de kleine vliegtuigfabriek “Aeronautica Sicula” in Palermo (geklonken magnesiumbuizen) en “Campagnolo” uit Vicenza (voor- en achtersubframe). De Stradale vertoonde een aantal verschillen ten opzichte van de hierboven beschreven raceversie. De hoofdframebuizen waren van staal gemaakt en de verlengde wielbasis (+10 cm) zorgde voor aanzienlijk meer ruimte in de cockpit. Terwijl de twee magnesium subframes met staal waren versterkt voor een betere bescherming bij een botsing. Het chassis van de Stradale was niet zo heel anders dan het chassis dat voor de racerij werd gebruikt. De motor werd iets teruggetuned voor gebruik op de openbare weg, met een maximum toerental van 10.000 t/min. De compressieverhouding werd verlaagd naar 10,0:1, wat resulteerde in 230 pk bij 8.800 t/min met Italiaanse SPICA-brandstofinjectie. De 33 Stradale was Spartaans en een echte racewagen, maar tegelijkertijd ook een technisch hoogstandje van uitzonderlijke kwaliteit. Een hoogwaardige wagen voor het sport-prototype klassement dus, die nog exclusiever was dan menig Ferrari.



Ook de Stradale kwam tot stand in 1967…onder tijdsdruk.
Voor de samenstelling van de carrosserie kozen ingenieur Chiti en ontwerper Scaglione voor de lichtgewicht legering Peraluman H350. Ze besloten om het eerste prototype direct in de Autodelta-fabriek in Settimo Milanese te bouwen. De werkruimte werd toegewezen in hetzelfde gedeelte van het gebouw waar racemotoren werden geassembleerd. Het tekort aan ervaren technici die in staat waren Peraluman vorm te geven, dwong Scaglione ertoe bekwame werknemers van Zagato in te huren. Zelf ging hij daarom dagelijks van Turijn naar Settimo Milanese om de bouw van de auto te controleren. Race-genie Chiti botste steeds vaker met ontwerp-genie Scaglione. Scaglione beklaagde zich bij anderen dikwijls per brief over de werkdruk. Later noemde de legendarische ontwerper het de donkerste periode in zijn carrière. De Toscaan was echter even koppig als volhardend en voltooide het eerste prototype in de korte periode van januari tot september 1967. Het eindproduct werd met trots aan potentiële klanten gepresenteerd tijdens de GP van Monza. Enkele laatste tests werden afgerond vlak voor de officiële presentatie op de Autosalon van Turijn in november 1967. De auto verraste het publiek totaal qua design, qua techniek en… ook qua prijs. Hij was duurder dan een auto uit Maranello. Scaglione is direct na de presentatie vertrokken bij Alfa Romeo, wat natuurlijk alles te maken had met de moeizame samenwerking met Chiti. Dat de 33 Stradale tot de verbeelding sprak blijkt ook uit de diverse studiemodellen (5 in totaal) die er uit voortkwamen van respectievelijk Pininfarina, Giugiaro/Italdesign en Bertone. Allen gebouwd op een geleverd chassis voor de 33 Stradale.


De vele gedaantes en op verschillende locaties.
De T-33 Stradale werd geproduceerd op een stalen chassis met code 750.33.1xx, met uitzondering van de eerste twee prototypes die in half afgewerkte vorm werden geleverd door Scaglione’s leveranciers Saracino & Lingua uit Turijn. Die droegen de nummers 105.33.01 en 105.33.12. De eerste, vrijwel zeker aluminium carrosserie, met nummer 105.33.01 (dat is het correcte chassisnummer van het eerste prototype), werd verkocht aan een Japanse Abarth-collectie. Het tweede prototype, 105.33.12, wederom een versie met vier koplampen, werd gestart bij Settimo Milanese, maar pas in 1968 afgemaakt bij Carrozzeria Marazzi, met kleine, onbeduidende verschillen (ruitenwisser verplaatst naar de onderkant van de voorruit, ventilatieopeningen in de achterspatborden, enz.), aangezien die auto aanvankelijk bedoeld was voor competitiegebruik. Dit is de auto die momenteel in het Alfa Romeo Museum in Arese staat, en dit waren de enige twee modellen met met vier koplampen. Alle andere exemplaren (in totaal zijn er 18 geproduceerd in de door Scaglione ontworpen vorm) hadden twee koplampen en waren geassembleerd door Carrozzeria Marazzi in Saronno, nabij Milaan. Hiervan werd alleen nummer 750.33.111 in het blauw geleverd. Nummer 750.33.103 stond tijdelijk bij Louwman in Den Haag tijdens de tentoonstelling ter gelegenheid van de introductie van de 4C in april 2013. Wij waren daar natuurlijk bij. In de permanente collectie staan intussen een Tipo 33/2 Daytona Coupé en een Tipo 33/sc/12. Uit bewaard gebleven documenten blijkt dat alle aan Autodelta geleverde chassis’ de nummers 750.33.001 tot en met 750.33.034 hadden. Deze chassis’ (waarvoor 6 ‘Periscopica’ auto’s werden weggekaapt) werden gebruikt om 33/2 “Daytona”-auto’s in verschillende configuraties en uitvoeringen te produceren. Het indrukwekkende vervolg op de Alfa Romeo’s succesvolle racegeschiedenis met de Tipo 33.


Het succes van de 33 serie maakt dat het nog altijd onlosmakelijk verbonden is met Alfa Romeo.
Alfa Romeo wilde ook na de 33 Stradale een auto brengen in het hogere en exclusieve segment. Dat ging echter een stuk moeizamer en was niet direct verbonden aan Alfa Romeo’s race-DNA. Het was de mooie Montreal waarvan alleen de V8 motor nog een link had met de 33. Alfa Romeo kon hier echter de show niet langer mee stelen, aangezien Maserati en Ferrari daar meer bedreven in waren. Op het circuit evolueerde de 33 intussen verder en kwam er na de fase met de 2.0 liter modellen op de hierboven beschreven basis, een volledig nieuw type met 3 liter motor. Dit was de 33/3 en was mogelijk dankzij Alfa Romeo’s hernieuwde activiteiten in de F1. Daarna volgde een nieuwe evolutie, de 33TT3. Deze mondde zelfs uit in de T33/TT/12 met 12 cilinder. Vandaag de dag zijn we getuige van een terugkeer naar de 33 met middenmotor dankzij de exclusieve creatie van BottegaFuoriserie. Dit zal niet de laatste zijn weten we uit betrouwbare bron. Overigens kan ook de 4C, die eveneens van hetzelfde Dallara carbon chassis gebruik maakte, worden gezien als een revival van het Tipo 33 thema. Je zou dus kunnen zeggen dat een dergelijke sportwagen met middenmotor nu eenmaal bij Alfa Romeo hoort. Misschien wel meer dan een klassieke GT.
