De geschiedenis van FIAT’s Carrozzerie Speciali

Een speciale badge op je FIAT.

Misschien verwacht je dat een klassieke badge op een gelimiteerde FIAT 500 ‘Dolce Vita’, enkel een commercieel trucje is om het retrogevoel te verhogen. Dat is het ook aan de ene kant, ware het niet dat er een hele geschiedenis schuil gaat achter zo’n chique-ogende badge. Ook op een FIAT. Nu FIAT deze maanden 127 jaar oud is geworden, is het misschien interessant om daar eens bij stil te staan in onze ‘La Grande Storia’ reeks. Het merk dat we vandaag vooral kennen als massamerk omdat het al vroeg in de twintigste eeuw de lopende band omarmde, is natuurlijk vooral gedurende de eerste helft van de vorige eeuw ook actief geweest in het vervaardigen van meer gelimiteerde automobielen op maat met een speciaal koetswerk. ‘Fuoriserie’ zouden we dat vandaag noemen bij Maserati of Alfa Romeo. Destijds betrof het natuurlijk niet alleen exclusieve sportieve carrosserieën, maar waren er bijvoorbeeld ook de eerste ‘Giardiniera’s’ (stationwagens) met hout op de flanken.

1911 De eerste jaren van de carrosseriebouw aan de Via Madama Cristina 145.

De eerste koetswerken.

Dat het bouwen van de speciale versies überhaupt plaatsvond, is gebaseerd op een goede en rijke traditie van carrosseriebouw. In en om Turijn waren er talloze zelfstandige bedrijven die in opdracht van de fabrikanten werkten. In de pionierstijd waren automobielproducenten immers vooral bezig met het technische gedeelte van een chassis en een motor. Het koetswerk werd bijna altijd uitbesteed aan bedrijven die ooit daadwerkelijk koetsen bouwden toen er nog paarden aan te pas kwamen. FIAT deed dat in de beginjaren bij een firma dat Carrozzeria Rothschild & Fils heette, een grootte koetsbouwer uit Parijs. Uiteraard binnen handbereik, midden in de wijk San Salvario aan de Po, waar FIAT maar ook Lancia z’n automobielen bouwde.

Een zeldzame ‘Vetture Speciali’ badge van de nieuwe afdeling van FIAT voor meer exclusieve koetswerken (1925-1931).

Eigen speciale series.

Maar het pand aan de via Madama Cristina 147 in Turijn werd al snel overgenomen door FIAT, inclusief de bedrijfsvoering. Al in 1910, toen FIAT zich binnen 10 jaar tijd ontpopte tot een gigant tussen de vele kleinere autobouwers ontstond het “Reparto Carrozzerie Fiat”. Die afdeling bleef bestaan ook na de bouw van de nieuwe grote fabriek in Lingotto (1922) een stukje verderop. De naam van de afdeling veranderde al wel naar ‘Vetture speciali’ (1925). Vanaf dit punt ontstaan langzamerhand de eerste FIAT’s die afweken van de reguliere productie in grote aantallen. De normale carrosserieën zoals die van de FIAT 509 (FIAT’s eerste model dat in grote aantallen werd gemaakt van midden tot eind jaren ’20) en daarna de meer beroemd geworden 508 Balilla (1932), werden op moderne wijze op Lingotto samengesteld. De bouw van deze meer gelimiteerde koetswerken werden intussen zelfs voorzien van een eigen badge.

FIAT bouwde haar Carrozzerie Speciali modellen in een werkplaats bij de Lingotto fabriek bijgenaamd Officine Lingotto (Later in Mirafiori ontstond een vergelijkbare afdeling). Door de toevoeging ‘Officine’ veranderde het logo enigszins.

De hoogtijdagen tot het weer een niche werd dat werd uitbesteed.

Begin jaren ’30 was het oude pand echter niet langer geschikt en verkocht FIAT het aan Società Anonima Microtecnica. Op Lingotto werd een frisse en moderne start gemaakt onder de nieuwe naam “Carrozzerie Speciali” of “Officine Lingotto”. Het waren de jaren waarin grote namen als  Dante Giacosa en Luigi Fabio Rapi de leiding namen bij FIAT. Ondanks de crisisjaren moderniseerde FIAT volop. De 500 Topolino zag intussen het daglicht in de grote productiehallen. Op de meer gelimiteerde modellen kwam nu een opschrift met bekend rood FIAT-logo. Leuk weetje voor de hobbyist: De firma Franco Ragni produceerde deze logo’s. Een bedrijf dat tot op de dag van vandaag bestaat en vele legendarische Italiaanse auto’s van badges voorzag, inclusief beeltenissen van heiligen voor op het dashboard voor een behouden vaart. De Carrozzerie Speciali afdeling op Lingotto bestond tot begin jaren ’60. De steeds massalere auto-industrie veranderde in rap tempo en bijzondere koetswerken werden vanaf dat moment vooral uitbesteed aan grote namen uit Turijn als Ghia, Bertone, Pininfarina, OSI en Vignale. Eigenlijk zoals het ooit is begonnen met het verschil dat de fabrikant voortaan de normale koets altijd zelf doet. Maar ook aan de speciale versies van Bertone en Pininfarina kwam later een einde. In de jaren ’90 deden dat soort bedrijven nog vooral cabrio’s en coupé’s en daarna hield het voor de meest koetsbouwers op. Autofabrikanten doen het liever allemaal in eigen beheer vanwege het financiële plaatje. Vandaag de dag is de speciale carrosserie vooral weggelegd voor de zeer exclusieve auto en wordt het niet langer toegepast op de auto voor de gewone man. Hieronder noemen we slechts enkele van de vele creaties die FIAT zelf realiseerde en voorzag van die extra mooie badge. Vaak op het voorste spatbord net voor de portier.

1947 Een mooi voorbeeld van een speciale sportieve koets is deze 1100 S, Onderhuids gebaseerd op de vooroorlogse 508 C. Ideale aerodynamische auto (wat hem de bijnaam il ‘Gobbone’ /’bultrug’ gaf) om de Mille Miglia mee te rijden. Tussen het voorwiel en de portier prijkt de speciale badge. In totaal werden 401 exemplaren gemaakt.
1948/1949 Een toch wel enigszins beroemd geworden creatie van de speciale afdeling is de Italiaanse kijk op de Amerikaanse ‘woody’ in de vorm van de 500 Giardiniera op basis van de 500 B en C. Vanaf 1951 koos men toch voor een meer praktische metalen afwerking van de flanken.
Bij het zien van de legendarische sportwagen “OttoVù” (de enige V8 van FIAT ooit) zou je toch zweren dat een van de beroemde Italiaanse carrosseriebouwers deze magnifieke welvingen heeft gemaakt, maar niets is minder waar. FIAT deed dit zelf onder leiding van Fabio Luigi Rapi en creëerde een waar hoogstandje die je zo naast andere iconische industriële ontwerpen uit dit tijd zou kunnen plaatsen. Wel werd van de 114 gemaakte exemplaren na nr.62 de rest uitbesteed aan Vignale, Ghia en Zagato wat weer unieke versies opleverde in de rijke geschiedenis van Italiaans autodesign.
1955 De Italiaanse Corvette werd ie wel genoemd. De Fiat 1100 TV Trasformabile was ook een creatie van Rapi. Slechts 142 werden er van gemaakt.
1956 FIAT groeide steeds harder op de markt voor de massa, dat het ook meer keuze wilde bieden aan wie iets meer te besteden had. Daarom deed Carrozzerie Speciali ook aan het verfraaien van veel geziene modellen als de 1100 en de 600. Ze werden bijvoorbeeld voorzien van speciaal op maat gemaakt chroomwerk en mistlampen. Een soort LX versie of Ti zou je kunnen zeggen. Tegenwoordig heb je de rijk uitgeruste 600 La Prima.
1959 De zeer chique 2100 speciale werd gemaakt voor ministers en kardinalen. Zeer comfortabel en elegant met 2.1 liter 6 cilinder. FIAT bevond zich met een dergelijke auto op Lancia terrein. Er werden 1174 van gemaakt. De auto was oerdegelijk (want ook Italianen kunnen dat prima) en binnenin afgewerkt met mooie materialen zoals hout en hoogwaardig metaal. De meeste waren donkerblauw. Regeringsauto’s worden ook vandaag nog in Italië daarom ‘auto blu’ genoemd.
Deel dit artikel:

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.